Als onderdeel van Activity 4: Teaching and Training (First Cycle) van het Erasmus+ project DIRECTORS – DIgital data-dRiven EduCaTion fOR kidS, heeft het TU Delft team de eerste ronde van de workshops in Nederland uitgevoerd. De workshops werden verzorgd door Bastiaan van Loenen, Frederika Welle Donker, en Hendrik Ploeger van de faculteit Bouwkunde.
Net als bij de Kroatische workshops, waren de Nederlandse workshops ook op drie niveaus van datageletterdheid: basis-, medium en geavanceerde datavaardigheden. Plaats van handeling was basisschool De Triangel in Delfgauw. De workshops werden gegeven voor 10-jarigen in twee parallelle groepen 7. Groep 7A volgde Workshop 1 – basis datavaardigheden en Workshop 3 – geavanceerde datavaardigheden. Groep 7B kreeg Workshop 2 – medium datavaardigheden. Iedere workshop had twee sessies die met een tussenpoos van ongeveer een week werden gegeven. In totaal namen 44 leerlingen deel aan de workshops, hoewel niet alle leerlingen alle sessies konden bijwonen.
Groep 7A: Basis datavaardigheden
In de eerste sessie maakten de kinderen kennis met het concept van data, wat is data en wat kunnen we met data? Als een voorbeeld van wat gegevens zijn, maakten de kinderen een datakaart van hun mobiele telefoongebruik, schreven ze hun favoriete game, videokanaal en sociale media-app op, en schatten hoeveel minuten per dag ze aan deze apps besteedden. Vervolgens leerden ze hoe ze de gegevens konden groeperen en categoriseren door groepen te vormen op basis van hun favoriete apps, hun geschatte gebruikstijden te bespreken en deze per groep op te tellen. Ondertussen maakte de leerkracht een woordwolk met de namen van hun favoriete apps/spellen. We lieten hen de verschillen zien tussen de ruwe versie inclusief alle spellingsvarianten van de kinderen, en een opgeschoonde versie waarin de spelfouten waren gecorrigeerd. We bespraken deze verschillende versies om de leerlingen een gevoel te geven voor het belang van datakwaliteit.
In the second session, the pupils learned how to collect real data from their mobile phones and enter these into one dataset. They explored the similarities and differences between the data of the entire class and their own data. They also compared their data usage estimates of the first session with the actual usage data recorded by their phones. They also learned how real-world data can be visualized in different ways. We also discussed whether they could tell from the anonymized dataset which pupil had actually entered which data, and the importance of protecting privacy when adding data to a shared dataset.
In de tweede sessie leerden de leerlingen hoe ze gegevens van/uit hun mobiele telefoons kunnen verzamelen en hier één dataset van kunnen maken. Ze vergeleken de overeenkomsten en verschillen tussen de gegevens van de hele klas met hun eigen gegevens. Ze vergeleken ook hun schattingen van het datagebruik van de eerste sessie met de werkelijke gebruiksgegevens die door hun telefoons waren geregistreerd. Ze leerden verder hoe gegevens op verschillende manieren kunnen worden gevisualiseerd. Ook bespraken we of ze aan de geanonimiseerde dataset konden zien welke leerling welke gegevens daadwerkelijk had ingevoerd, en het belang van het beschermen van privacy bij het toevoegen van data aan een gedeelde dataset.
Groep 7B: Medium datavaardigheden
In de eerste sessie legden we op interactieve wijze de basis van een Geografisch Informatie Systeem (GIS) uit. We begonnen met het uitleggen van geografische informatie aan de hand van een op A0 uitgeprinte orthofotokaart van de omgeving van hun school in Delfgauw. Vervolgens hebben we de analoge A0 kaart opgedeeld in 8 A4-tjes. De kinderen kregen transparanten waarop elke groep van 2 tot 3 leerlingen een specifieke laag (bijv. huizen, wegen, bomen) van een deel van de A0 kaart overtrok (het deel op het A4-tje). Ze moesten objecten labelen, zoals ‘school’ of ‘speeltuin’, van een noordpijl en schaal voorzien en ten slotte een legenda maken. Ten slotte werden alle transparante A4-tjes op de juiste plaats op de grote A0 gelegd. We bespraken wat de kinderen toen zagen en we introduceerden het belang van standaardisatie omdat de kinderen verschillende interpretaties hadden van hoe ze de objecten in elke laag moesten visualiseren.
In the second session, the children applied their GIS skills to find a missing teacher. The children solved four puzzles with each solution providing one digit to the four-digit code needed to “crack” a safe containing the coordinates of the location for the next clue. The children used a mobile telephone to provide a walking route to the final clue. After a fun search, the children found the box that contained the coordinates to the location of the missing teacher, which happened to be their school. Most fun was that the teacher was actually really missing, and the children searched the lower level of the building in search of the teacher. Their efforts were rewarded by finding the teacher who had a box of treats for the pupils.
In de tweede sessie pasten de kinderen hun GIS-vaardigheden toe om een vermiste leerkracht te vinden. De kinderen losten vier puzzels op, waarbij elke oplossing één cijfer opleverde om aan de viercijferige code die nodig was om een kluis met de coördinaten van de locatie te “kraken” voor de volgende aanwijzing. De kinderen gebruikten een mobiele telefoon om een looproute naar de uiteindelijke aanwijzing te geven. Na een leuke zoektocht vonden de kinderen een doos met de coördinaten naar de echte locatie van de vermiste leerkracht, wat niet geheel toevallig in een lokaal in de school was. Hun inspanningen werden beloond met het vinden van de leerkracht die als beloning een doos met snoepjes voor de leerlingen had.
Groep 7A: geavanceerde datavaardigheden
In de eerste sessie legden we het concept van sensoren uit en hoe ze voor verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor het meten van afstanden. De kinderen gebruikten verschillende methoden om dezelfde afstand te berekenen. De eerste methode was het handmatig tellen van stappen van de ene muur van het klaslokaal naar de tegenoverliggende muur en vervolgens het aantal stappen vermenigvuldigen met hun paslengte. Vervolgens gebruikten de leerlingen de stappenteller in hun mobiele telefoon om het aantal stappen en de schatting van de afstand door de telefoon te ‘tellen’. De derde methode was om de stappenteller in een smartwatch. Ten slotte gebruikten de leerlingen een toiletrol om de afstand te berekenen door de lengte van één vel te meten en dat te vermenigvuldigen met het aantal vellen dat nodig was om de afstand af te leggen. De workshop werd afgesloten met een discussie over de verschillen in de uitkomsten met behulp van handmatige methoden of apparaten. De leerlingen concludeerden dat apparaten misschien prettig zijn om te gebruiken, maar dat handmatige methoden betrouwbaarder zijn.
In de tweede sessie gebruikten de leerlingen apps om afstanden te meten zoals Google Maps. De leerlingen moesten de omtrek van hun schoolplein opmeten en deze verifiëren door naar buiten te gaan om dezelfde route te meten met behulp van handmatige methode (stappen tellen) of een track op te nemen met een mobiel apparaat (telefoon of smartwatch). De opgenomen tracks werden op het smartbord weergegeven. De leerlingen concludeerden dat het gebruik van apparaten voor het opnemen van tracks prettig kan zijn voor langere afstanden, maar net als in de eerste sessie, vonden ze de handmatige stappentelling nauwkeuriger. Ze stelden ook voor om de volgende keer een lang meetlint te gebruiken.